Een stroom van reacties kwam los van christenen die boos werden, schelden, medelijden hebben, mij een dwaalleraar noemen en voor mij bidden dat ik de waarheid zal vinden. Hoewel ik onophoudelijk spreek over god en het goddelijke (al dan niet met een hoofdletter), ben ik in de ogen van kerkgangers helemaal van god los. Dit is niet bepaald nieuw voor me en daar ben ik al jaren aan gewend.
Waar ik me wel over verbaasde was het gegeven dat er zich kennelijk veel orthodoxe christenen bevinden onder de volgers van De Begrenzers. Dat had ik niet door. Mijn ervaring in coronatijd was dat juist orthodoxe christenen massaal met het narratief van de overheid meededen. Dat beeld moest ik dus direct bijstellen en daar werd ik blij van. Niet alles is zo zwart-wit als je eerst soms denkt.
Dat deze mensen vervolgens geen instemming betuigen met wat ik vertelde over Jezus en dat hij hierin dus een steun in de rug is voor hen voor wat betreft hun omgang met de overheid, maar dat ze zonder uitzondering kritisch ingaan op een opmerking die in deze podcast slechts bijzaak was voor mij, bevestigt dan helaas wel weer het beeld dat ik had van orthodoxe christenen.
De manier waarop mijn visie en beleving aan de kant wordt geschoven door de christengelovigen die ook De Begrenzers volgen, is weinig hoopvol. Ik denk althans dat als je De Begrenzers volgt, je dan ook bent voor vrije meningsuiting en uitkijkt naar een nieuwe wereld waarin we wat liefdevoller met elkaar omgaan dan we tot nu toe gedaan hebben. Mis!
Gezien de scheldpartijen, het veroordelen en het proberen te overtuigen van iedereen die niet op dezelfde manier gelooft als zij, is die wereld onder ‘wakkere’ christenen nog oneindig ver weg en hebben we nog weinig meters gemaakt. Integendeel, zolang we anderen nog steeds afwijzen vanwege hun andere mening, is die nieuwe wereld verder weg dan ooit. Zolang we onze eigen overtuigingen niet kunnen relativeren, leven we nog steeds op de oude aarde.
Taal als struikelblok
Natuurlijk wil ik graag optimistisch blijven en toch mijn geloof in een betere wereld niet verliezen. Ik voel me verbonden met allerlei soorten individuele mensen, maar zelden of nooit met groepen. Hoor je bij een bepaalde groep, dan word je al snel vereenzelvigd met de visie van de groep en ben je je uniciteit zomaar verloren. Hoor je echter nergens bij, dan voel je jezelf soms wat eenzaam.
In de ogen van orthodoxe christenen ben ik helemaal van god los en in de ogen van ‘ongelovigen’ zit ik nog helemaal aan god vast. En in de ogen van veel mensen die zichzelf spiritueel noemen ben ik achterlijk bezig om me nog te laten inspireren door een oeroud boek dat op allerlei manieren gemanipuleerd zou zijn door machthebbers en dat vooral vol zou staan met wartaal en gruwelijkheid.
Dat is natuurlijk best jammer en ik vraag me vaak af hoe je al die verschillende groepen mensen meer bij elkaar kunt krijgen in die zin, dat ze om te beginnen meer respect hebben voor elkaar, onafhankelijk van wat ze al dan niet geloven. In de dingen die ik schrijf probeer ik juist vaak te laten zien dat wat in de bijbel en andere heilige boeken staat nog steeds hyper actueel is en dat de verhalen wijsheid vertolken waarvan veel psychologen en filosofen onterecht denken dat die pas recent is uitgevonden.
Zo probeer ik bruggen te slaan, maar het is nog niet genoeg, zo realiseer ik me steeds meer. Oude woorden kunnen enorme struikelblokken vormen. Ik gebruik gewoonlijk nog wel vaak de terminologie die ook nog volop gangbaar is in de kerk, terwijl daar wellicht nieuwe gewonere woorden voor bedacht zouden moeten worden, zodat we met zijn allen steeds meer gaan inzien dat alle mensen soortgelijke ervaringen hebben, maar daar een eigen taal en verbeelding bij hebben.
Als je van god los bent, klinkt het alsof je niet helemaal spoort. En misschien is dat precies het probleem. Taal is levend en woorden veranderen in de loop van de tijd van betekenis. Zeker de woorden die we al eeuwen gebruiken voor dat wat eigenlijk niet te benoemen is, zijn zo versleten geraakt dat ze vooral nog misverstanden veroorzaken. En dan heb ik het allereerst over het woordje ‘god’.
Woorden als god, heilige geest, spirit, medium, christus en goddelijkheid waren ooit pogingen om iets groots, levends en ervaarbaars te raken. Nu functioneren ze vaak als labels. Of erger: als meetlatten. Religieuze mensen leggen ze langs elkaar. Spirituele mensen doen hetzelfde. Religieuze en spirituele, religieuze en niet-religieuze zowel als spirituele en niet-spirituele mensen kijken elkaar aan alsof ze in totaal verschillende films zitten. Met een andere ondertiteling en een andere afstandsbediening.
Het probleem is niet dat mensen ‘meer’ zouden zien of juist niet. Het probleem is dat we verschillende woorden gebruiken voor vergelijkbare ervaringen. Alsof de één het over wifi heeft en de ander over internet, en ze ruzie maken omdat ze denken dat het iets heel anders is. Een babylonische spraakverwarring die we kunnen overstijgen.
Taal als brug
Daarom denk ik serieus: misschien moeten we even van ‘god’ los komen, al dan niet met een hoofdletter. Niet omdat de werkelijkheid achter dit woordje onzin is, integendeel, maar omdat het woord zijn werk niet meer doet. Het is als een oude stekker die niet meer past in het stopcontact van deze tijd. Je kunt harder duwen, maar daar gaat het niet beter van werken.
Wat als we samen op zoek gaan naar gewone woorden? Woorden die niet boven je hoofd zweven, maar gewoon naast je op de bank kunnen zitten bij wijze van spreken. Voor mezelf maak ik daarom alvast een paar simpele vertalingen van bijbelse kernwoorden: in plaats van (de) god spreek ik tegenwoordig liever over het zelf. Mijn hele boek ‘Ik ben het zelf!’ gaat hierover. In het woordje ‘zelf’ zit in mijn beleving alles wat ik aantref in het woordje ‘god’, maar dan eigentijdser en veel dichterbij, zoals het mijns inziens oorspronkelijk ook bedoeld is.
Christus noem ik zelfbewustzijn: de blauwdruk van wie je ten diepste bent, universeel én persoonlijk. Jezus staat voor zelfverwerkelijking: het proces waarin dat ‘zelf’ vorm krijgt in een mens van vlees en bloed, met al zijn angsten, fouten en twijfels, maar ook met zijn vertrouwen, liefde en lef. Jezus Christus is dan gewoon: de volwassen, zelfbewuste mens. Geen superheld, maar iemand die zichzelf durft te leven.
De logos (het ‘woord’) is niet een hemelse speech, maar het (innerlijke) weten: dat ene zinnetje dat precies klopt, dat waar je intuïtie ‘ja’ tegen zegt. En de heilige geest? Dat is je innerlijke adviseur, dus je geweten. Die stem die je misschien niet altijd leuk vindt, maar die gewoonlijk wel gelijk heeft.
Met dit soort woorden landen we met beide voeten op aarde en hoeven we elkaar niet meer uit te sluiten, te overtuigen of te overtroeven. Dan kunnen we weer samen praten over méns-zijn. Over bewust leven. Over keuzes maken. Over groeien en volwassen worden. Over vallen en weer opstaan.
Misschien is dat wel de kern die ik ervaar in de oude verhalen: ze halen ons niet uit elkaar, maar ze herinneren ons aan onze gedeelde grootsheid. Als we durven loslaten wat sleets is, ontstaat er ruimte voor echte verbinding. Echte verbinding ontstaat niet in het verband van een groep, maar in het proberen de ‘geloofstaal’ van de ander te begrijpen en je individuele zelfbewustzijn confronteren met dat van een ander.
Op weg naar het nieuwe tijdperk van Waterman, waarin we eindelijk het verhaal van Jezus Christus begrepen hebben en het op onszelf mogen gaan betrekken, lijkt me dit geen luxe, maar pure noodzaak. Niet reformeren of hervormen van wat er scheef gegroeid is, maar onszelf innerlijk transformeren of omvormen.
Dus niet nog meer de uiterlijke vormen benadrukken, maar samen gaan voor de inhoud. De inhoud waar ieder mens op zijn eigen manier mee te maken heeft. Zo vallen verouderde vormen vanzelf van ons af, als vergeelde blaadjes die op het eind van hun leven van de boom vallen. En zo komt er opnieuw ruimte voor jong groen: een nieuwe wereld.
© Anthonie Roose