De overheid eronder (I)

Het politieke systeem is als het collectieve ego van het volk. Overheden zijn daarin een mega spiegel voor wie wij zelf zijn. Ego ontstaat door angst voor tekorten en onveiligheid. Overheden ontstaan en bestaan, omdat wij mensen te klein denken over onszelf. We willen afhankelijk zijn van iets buiten onszelf, waaraan we meer macht toekennen dan de macht van het geloof in onze eigen innerlijke kracht. Machthebbers maken van deze egozwakte van het volk slim gebruik door hun eigen ego op te pompen en zich schijnbaar onmisbaar te maken voor het volk.

De overheid eronder (I)

Van Angstland naar het Beloofde Land

In de bijbelse verhalen zie je een constante lijn van relativering en afwijzing van het geloof in een overheid. Het bijbelse volk Israël is metafoor van onze ziel en de reis die het volk maakt is symbool van onze zielenreis op aarde. Israël leeft vierhonderd jaar lang in Egyptische slavernij. Egypte (‘Mizraïm’) staat in de bijbel symbool voor angst, tekort, onwetendheid en slavernij. Maar dan verschijnt ‘de Eeuwige’, ‘de Aanwezige’, de goddelijke ‘Ik ben die ik ben’ in een visioen aan Mozes: ‘Ik ben het zelf!’ Hij vertelt Mozes dat hij de God is van Israël, dat hij zijn volk gaat bevrijden en dat hij Mozes daarvoor gaat gebruiken.

Hoe krijg je een tirannieke overheid eronder? Door je angst ervoor te overwinnen, op die goddelijke kracht in jezelf te vertrouwen en de politieke leiding niet langer de credits te geven die je haar tot nu toe wel gaf. Onder leiding van Mozes onttrekt het volk Israël zich aan het rigide Egyptische regime. Dat gaat niet vanzelf. Tien nationale rampen in de vorm van de ‘plagen van Egypte’ zijn nodig om het zover te laten komen. Het volk zwerft vervolgens veertig jaar lang door de woestijn, alvorens het aankomt op de plaats van bestemming. Die veertigjarige reis is een leerperiode van Angstland Egypte naar het Beloofde Land van Vrijheid, Kanaän. Vrijheid vereist besef van verantwoordelijkheid. Al die tijd oefent het volk zelfbewustzijn en eigen verantwoordelijkheid, in het leren leven in het hier en nu en daarmee in het vertrouwen op de altijd aanwezige ‘Ik ben die ik ben’ als zijn hogere Zelf. 

Zonder zichtbare god en zonder koning

Hiervoor ontvangt het volk tijdens de woestijnreis de Decaloog ofwel de ‘Tien Begrenzers’, die kort en krachtig uitdrukken wat je beter kunt vermijden om een grenzeloos mooi leven te hebben. Maar wat is het moeilijk om deze basisregels van een gelukkig leven zomaar toe te passen en ineens helemaal op jezelf te zijn aangewezen. Vaak verlangt het volk terug naar de ‘vleespotten van Egypte’, naar de tijd van slavernij, omdat ondanks het harde werk alles toch goed geregeld was. Je wist precies waar je aan toe was. Het leven was overzichtelijk en de dagelijkse routine van de Egyptische ‘verzorgingsstaat’ gaf zekerheid. Dat je daarvoor wel zweepslagen moest incasseren, leek daaraan bij nader inzien ondergeschikt.

Eindelijk komt het volk Israël dan toch aan in het Beloofde Land. Eerst moeten nog wel de inheemse volken daar uit de weg geruimd worden. Dat zijn onze oude overtuigingen en daarmee gepaard gaande gevoelens en daden, die als een innerlijke genocide het pad effent voor een nieuwe toekomst. Het volk heeft een nieuwe plek gevonden en moet op eigen benen leren staan. Wat opvalt aan dit uitverkoren volkje, is dat het geen zichtbare goden heeft met een eigen naam, zoals de omringende volkeren, maar slechts een onzichtbare God zonder eigen naam. En ze hebben nota bene ook geen koning, zoals ieder ander volk. In plaats van dit als een bijzonder voorrecht te beschouwen, begint het volk dit te ervaren als een onoverkomelijk probleem.

(wordt vervolgd)

© Anthonie Roose