De mens is het meest bijzondere en raadselachtige wezen in het universum. Hij is een dier en een engel tegelijk. Er is een kracht in ons die ons met de aarde verbindt en er is een vuur in ons dat ons naar de hemel trekt. We hebben instincten die ons vertellen hoe we moeten overleven, maar ook een innerlijk vermogen dat ons boven onszelf kan uittillen. We kunnen handelen uit angst, begeerte en zelfbehoud. Maar we kunnen ook leven vanuit liefde, wijsheid en overgave. De vraag is niet of we een dier of een engel zijn. De vraag is: wie krijgt er in ons het stuur in handen?

Een dier met vleugels


HET MYSTERIE VAN DE MENS

Het dier in ons

Dieren zijn spiegels waarin we onszelf kunnen herkennen. Elk dier laat op zijn eigen manier iets zien van wat er in de mens leeft. Het dier handelt vanuit zijn instinct. Het zoekt voedsel, verdedigt zijn territorium, beschermt zijn jongen en zorgt voor zijn voortbestaan. Het doet wat bij zijn natuur past. Een leeuw hoeft niet te leren hoe hij een leeuw moet zijn.

Ook wij hebben dat dierlijke in ons. Het is de kracht die ons laat voelen, verlangen, reageren en handelen. Het wil veiligheid, voedsel, liefde en voortplanting. Het wil erbij horen en het wil overleven. Dat dierlijke is niet verkeerd. Het hoort bij ons. Zonder ons animale wezen zouden we niet eens bestaan. Maar er is een verschil tussen een mens en een dier. Een dier volgt zijn natuur. Een mens kan zich bewust worden van zijn natuur. Hij kan zijn instincten onderzoeken, zijn emoties leren begrijpen en besluiten om niet zomaar iedere impuls te volgen. Daar begint onze vrijheid. Of toch niet?

Gevangen in je eigen brein

Ons brein speelt een grote rol in de manier waarop we de wereld ervaren. Het helpt ons gevaar te herkennen, emoties te verwerken en na te denken. Het stelt ons in staat om plannen te maken, verbanden te leggen en nieuwe mogelijkheden te ontdekken. Je kunt daarbij grofweg drie evolutionaire lagen onderscheiden: hersenstructuren die sterk betrokken zijn bij basale overlevingsfuncties, het limbische netwerk dat onder meer bij emoties en geheugen betrokken is, en de neocortex die een belangrijke rol speelt bij complexe waarneming en denken. Die lagen werken voortdurend samen. Het zijn geen afzonderlijke verdiepingen waarin je steeds hoger en dus beter wordt.

Toch is er hier iets vreemds aan de hand. We kunnen zo sterk met ons denken vereenzelvigd raken dat we geloven dat we ons denken zíjn. We zeggen: ik denk, dus ik ben. Of: wij zijn ons brein. Alsof ons bestaan ophoudt waar onze gedachten ophouden. Maar ben jij werkelijk je gedachten? Ben jij je angsten, je overtuigingen, je herinneringen en je verlangens? Of ben je ook degene die ze kan waarnemen? 

Je kunt immers merken dat je boos bent, zonder je boosheid te zijn. Je kunt een angstige gedachte hebben zonder haar voor waar aan te nemen. Je kunt zelfs ontdekken dat een overtuiging die je jarenlang voor waarheid hield, je gevangen heeft gehouden. Op dat moment ontstaat er ruimte. Je bent niet langer volledig overgeleverd aan wat er in je omgaat. Je kunt ernaar kijken. Je kunt kiezen. Je kunt iets nieuws toelaten. Dat is het begin van de engel in de mens.

De engel in ons

Wat bedoelen we eigenlijk wanneer we over engelen spreken? Je kunt engelen zien als hemelse wezens, maar je kunt ze ook verstaan als beelden van het geestelijke in de mens: het vermogen om boven het eigenbelang uit te stijgen en je te verbinden met iets wat groter is dan jezelf. Een engel vertegenwoordigt dan niet het instinctieve, maar het bezielde en het intuïtieve. Niet het blinde verlangen om te overleven, maar het vermogen om betekenis te vinden. Niet de drang om alles naar je hand te zetten, maar de bereidheid om te luisteren naar wat het leven van je vraagt.

Een dier volgt zijn natuur. Een engel vervult zijn bestemming. En de mens? De mens kan beide. Hij kan zijn verstand gebruiken om anderen te misleiden, maar ook om de waarheid te zoeken. Hij kan zijn creativiteit inzetten om te vernietigen, maar ook om schoonheid te scheppen. Hij kan zijn kracht gebruiken om anderen te overheersen, maar ook om hen te beschermen. Ons vermogen zelf is niet goed of kwaad. Het gaat erom vanuit welke innerlijke bron we het gebruiken. Onze mogelijkheden groeien wanneer we het niet bij denken alleen houden, maar ook leren luisteren.

De intelligentie van het hart

Er bestaat een vorm van weten die niet volledig in woorden te vangen is. Je voelt soms dat iets niet klopt, terwijl je verstand er nog geen verklaring voor heeft. Je ontmoet iemand en merkt dat er iets wezenlijks gebeurt. Je staat voor een keuze en ontdekt dat de juiste weg niet noodzakelijk de gemakkelijkste is. We noemen dat intuïtie. Intuïtie is niet hetzelfde als instinct. Instinct reageert vaak snel op wat vertrouwd, bedreigend of aantrekkelijk lijkt. Intuïtie kan daarentegen ook afstand nemen van die eerste reactie. Ze kan je laten zien dat je angst niet de waarheid vertelt, dat je verlangen je op een dwaalspoor brengt of dat je een kans moet wagen die je verstand nog niet helemaal begrijpt.

Intuïtie kan putten uit ervaring, waarneming, gevoel en verstand. Soms brengt ze je tot inzichten die je niet bewust stap voor stap hebt beredeneerd. Je zou haar de intelligentie van het hart kunnen noemen. Je wordt pas werkelijk wijs wanneer je denken, voelen en handelen met elkaar in verbinding komen. Het hart is in deze betekenis de plaats waar hemel en aarde elkaar ontmoeten. Waar instinct niet wordt onderdrukt, maar tot bewustzijn komt. Waar intellect niet langer alleen dient om jezelf te beschermen, maar ook om het goede te herkennen. Een open hart maakt je niet minder menselijk. Het maakt je menselijkheid groter.

Een gesloten hart en een gesloten hemel

Wat gebeurt er wanneer je hart gesloten blijft? Dan wordt de wereld gemakkelijk een strijdtoneel. Je moet jezelf bewijzen, je positie verdedigen en zorgen dat je niet tekort komt. De ander wordt een concurrent, een bedreiging of een middel om je eigen behoeften te bevredigen. Je doet wat je wilt, maar je raakt steeds verder verwijderd van wat je werkelijk nodig hebt. Je wilt liefde en veroorzaakt afstand. Je verlangt naar vrijheid en raakt gevangen in je eigen verlangens. Je probeert de wereld te beheersen en ontdekt dat je juist daardoor steeds meer controle verliest. 

Dat is het demonische in de mens: niet een vreemd monster dat van buitenaf binnenkomt, maar een innerlijke kracht die zich tegen het leven keert. Je verscheurt anderen om jezelf heel te voelen, totdat je merkt dat je zelf verscheurd raakt. Het is de tragiek van het dier dat in de mens de baas is geworden. Je instinct dat ooit bedoeld was om je leven te beschermen, gaat je leven beheersen.

Maar het hoeft niet zo te blijven. Want ook een gesloten hart kan zich openen. En wanneer dat gebeurt, verandert niet noodzakelijk de wereld om je heen. Wel verandert de manier waarop je erin staat. Je ziet de ander niet langer alleen als iemand die iets van je afneemt of je iets moet geven. Je kunt ontvangen zonder te grijpen, geven zonder jezelf te verliezen en liefhebben zonder de ander te willen bezitten. De hemel gaat open waar het hart zich opent.

Dieren zijn onze lachspiegels

Kijk eens naar dieren. We kunnen hartelijk lachen om een hond die achter zijn eigen staart aanjaagt, een kat die zich als koningin van het huis gedraagt of een vogel die zich groter maakt dan hij is. Maar waarom lachen we eigenlijk? Vaak herkennen we iets van onszelf. Ook wij jagen achter onze eigen staart aan. Ook wij doen alsof we de baas zijn over ons territorium. Ook wij maken ons groter dan we zijn, verdedigen wat ons dierbaar is en raken verstrikt in gewoonten waarvan we niet eens meer weten waarom we ze hebben.

Dieren zijn onze lachspiegels. Ze laten ons kijken naar wat we zelf vaak niet willen zien. Ze herinneren ons eraan dat we niet boven de natuur zweven. We zijn er deel van. We hebben lichamen, verlangens, angsten en instincten. We kunnen niet zonder de aarde. Maar een lachspiegel kan ook bevrijden. Wie om zichzelf kan lachen, hoeft zichzelf niet meer zo krampachtig te verdedigen. Wijsheid begint met het vermogen om je eigen dier te herkennen, zonder het te veroordelen.

Op de ene schouder een dier, op de andere een engel

We kennen het beeld: op de ene schouder zit een duiveltje en op de andere een engeltje. Ze fluisteren ons in wat we moeten doen. Je kunt dat beeld ook anders verstaan. Op de ene schouder zit het dier. Het herinnert je aan je lichaam, je instincten, je behoeften en je verbondenheid met de aarde. Op de andere schouder zit de engel. Hij herinnert je aan je geweten, je intuïtie, je vermogen tot liefde en je verlangen om te leven vanuit iets wat groter is dan jezelf. Beide horen bij jou.

Je hoeft het dier niet te doden om een engel te worden. Je hoeft je verlangens niet te ontkennen, je lichaam niet te verachten en je instincten niet uit te schakelen. Je hoeft alleen te leren luisteren zonder slaafs te gehoorzamen. Het dier mag je vertellen dat je gevaar loopt. De engel kan je helpen onderzoeken of je werkelijk gevaar loopt, of dat je angst je gevangen houdt. Het dier mag je laten voelen dat je iets begeert. De engel kan je helpen ontdekken of je dat werkelijk nodig hebt. Het dier beschermt je leven. De engel wijst je op de betekenis ervan. En jij bent degene die beide stemmen met elkaar in evenwicht kan brengen.

De mens als evenwicht tussen hemel en aarde

Ik denk dat het niet onze bestemming is om het dierlijke achter ons te laten, maar juist om het dierlijke te bezielen. Om niet langer uitsluitend te leven vanuit instinct, maar ook vanuit bewustzijn. Om ons denken niet te laten overheersen door angst, maar het in dienst te stellen van wijsheid. Om onze verlangens niet blind te volgen, maar ze te leren begrijpen. 

Het gaat om balans. Tussen lichaam en geest. Tussen persoonlijkheid en identiteit. Tussen lagere en hogere zelf. Tussen voelen, denken en handelen. Tussen zelfbehoud en liefde. Tussen de aarde die ons draagt en de hemel die ons roept. Een mens die alleen maar dier is, blijft gevangen in zijn instincten. Een mens die alleen maar engel wil zijn, dreigt zijn lichaam, zijn gevoelens en zijn aardse werkelijkheid te ontkennen. Maar een mens die beide in zich verenigt, kan werkelijk mens worden.

Hij staat met beide voeten op de aarde en houdt zijn hart open voor de hemel. Hij kent zijn schaduwkanten zonder zich ermee te vereenzelvigen. Hij erkent zijn verlangens zonder er slaaf van te worden. Hij denkt na, maar durft ook te luisteren naar wat niet in redeneringen past. Dan wordt het dier niet zijn vijand, maar zijn bondgenoot. En wordt de engel niet een onbereikbaar ideaal, maar een innerlijke richtingwijzer.

De mens is meer dan een dier. De mens is ook meer dan een engel. De mens is een dier dat kan ontwaken tot een engel. Dat is het mysterie van ons menselijk bestaan en tegelijk ook onze opdracht. Niet minder dier worden. Niet doen alsof we al engel zijn. Maar zo menselijk worden dat het dier in ons de wijsheid van de engel leert kennen. Dan ontstaat er evenwicht. Evenwicht tussen aarde en hemel. En dan wordt de mens wat hij in aanleg altijd al was: een engel in de gedaante van een dier.

© Anthonie Roose